Italiaanse taal en cultuur (master)
Ecco Londra
Koning van je eigen droom
Waarom Francesca da Rimini opwindender is dan Jenna Jameson
Een haast magische aantrekkingskracht lijkt bepaalde passages uit Dante's "Divina" Commedia tot mythische hoogtes te verheffen. Het buitenechtelijke avontuurtje van Francesca da Rimini met haar zwager Paolo in het canto quinto en de gruwelijke straf van graaf Ugolino die in canto 32 en 33 veroordeeld is tot het eeuwig verorberen van zijn fiero pasto, het hoofd van zijn rivaal aartsbisschop Ruggieri, stonden en staan bij iedereen die ooit het geluk heeft gehad de Commedia te mogen bestuderen in het geheugen gegrift.
Met name de episode die voor altijd verbonden is met de naam van Francesca - de partner aan wie ze eeuwig gekluisterd is komt immers tot niet meer dan een beetje jammeren - heeft een inspiratie gevormd voor de talloze kunstenaars die schilderijen, tekeningen, beeldhouwwerken en muziekstukken aan de ongelukkige vreemdgangers hebben gewijd. Het "gewone" televisiepubliek kreeg enkele jaren terug nog de kans zich over de misstap van de twee te verkneukelen toen Roberto Benigni het canto op magistrale wijze op RAI Uno voordroeg. De video is nog altijd het eerste resultaat op Youtube voor "Benigni Dante" en heeft duizenden views meer dan de overige resultaten, en vijf keer zoveel als het laatste canto van het Paradiso.
De meest eenvoudige verklaring voor deze ongekende populariteit van Francesca (en Paolo) zou rechtstreeks uit het Psychologie magazine kunnen komen en luidt dat de lezers en inmiddels kijkers en luisteraars van het werk in de soapachtige verwikkelingen van het canto quinto een mogelijkheid tot identificatie vinden met zichzelf en met hun eigen leven (of het leven waarvan men droomt). De ware liefde die zich ondanks alles toch aan de huwelijkse verplichtingen weet te ontworstelen, de kus die Paolo trillend op de lippen van zijn geliefde drukt en het intense medelijden en de eigen identificatie van Dante met zijn literaire alter-ego, bevorderen de identificatie van het publiek met de hoofdpersoon van dit canto, nog daargelaten dat de vertolking van Benigni het gepassioneerde en even zo "avontuurlijke" Italiaanse volk weer eens goed op het katholieke hart drukte dat er voor een groot deel van hen ook ergens een eeuwig plaatsje is weggelegd, op een winderige maar gelukkig niet al te warme plek, niet al te ver na de poorten van de hel. Het is natuurlijk altijd lekkerder om je te verkneukelen over de fouten van anderen dan over die van jezelf, maar nog lekkerder is die rode blos die op je wangen verschijnt als je je verkneukelt over een fout van een ander waarvan je weet dat je die zelf ook graag begaan had, of misschien zelfs begaan hebt in een reeds vergeten verleden.
De verwikkelingen van het canto quinto zouden in dat opzicht vooral een natuurlijke aantrekkingskracht op de vrouwelijke lezers van de Commedia moeten hebben. Niet voor niets droeg Boccaccio zijn Decamerone immers ook op aan de vrouwen, die met hun delicate inborst in deze maatschappij droevig genoeg gedwongen worden hun sentimentele waterval - die van nature nu eenmaal wat harder stroomt dan bij mannen - binnenskamers te houden. Umana cosa è aver compassione degli afflitti, en dat ontdekt ook Dante aan het eind van het canto quinto.
Maar ook mannen hebben zich, ondanks de marginaliteit van Paolo, altijd zeer geïnteresseerd getoond in het canto. Paolo is ondanks of misschien juist vanwege zijn trillende kus nou echter niet bepaald het voorbeeld van wat mannelijkheid zou moeten voorstellen in onze maatschappij. Of zouden we soms vanuit een queer oogpunt moeten veronderstellen dat deze arme huilebalk die nooit meer van zijn listige schoonzus gescheiden zal worden hier een soort uit de kast gekomen metroseksueel voorstelt die in ons mannen onze verborgen vrouwelijke kant naar buiten doet komen? Is Paolo het mietje dat wij mannen - en vooral Italiaanse mannen - van onze vader nooit hebben mogen zijn? Zijn Paolo en Francesca, de stille huilebalk en de doortrapte slet, beiden het tegenovergestelde van de seksuele norm en het gender die de maatschappij ons oplegt en vormen zij een mogelijkheid voor ons om onze diepste (en meest perverse) verlangens de vrije loop te laten?
Deze ultraperverse "sfogo", deze mentale masturbatie (en bij het publiek van Benigni was het, zoals hij zelf ook al voor het voordragen van het canto suggereerde, meer een mentale orgie) op regel 72 tot regel 142 van het vijfde canto van de Inferno is volgens mij, meer dan van de aard van de personages, het gevolg van een uiterst sluwe, taalkundige strategie die Dante toepast en die ons de kans geeft onze diepste en meest verdorven hunkeringen op het verhaal te projecteren.
Wie het canto quinto voor de eerste maal leest, heeft waarschijnlijk het idee dat het hier gaat om een simpel liefdesverhaal, fundamenteel gezien niet veel anders dan de zoveelste keer dat Ridge in de Bold and the Beautiful zijn vrouw Brooke bedriegt met zijn ex Taylor of Janine die in Goede Tijden Slechte Tijden getrouwd is met Ludo maar een kindje verwacht van diens zoon Stefano.
Wie het canto echter vaker leest en bestudeert, ziet dat het in feite helemaal geen verhaal is, maar een losse reeks beelden die ons door Francesca en ultimately door de schrijver zelf, Dante, worden voorgeschoteld. Laten we het fenomenale sluitstuk van deze episode er nog even bijpakken:
Ma s'a conoscer la prima radice
del nostro amor tu hai cotanto affetto,
dirò come colui che piange e dice. 126
Noi leggiavamo un giorno per diletto
di Lancialotto come amor lo strinse;
soli eravamo e sanza alcun sospetto. 129
Per più fïate li occhi ci sospinse
quella lettura, e scolorocci il viso;
ma solo un punto fu quel che ci vinse. 132
Quando leggemmo il disïato riso
esser basciato da cotanto amante,
questi, che mai da me non fia diviso, 135
la bocca mi basciò tutto tremante.
Galeotto fu ‘l libro e chi lo scrisse:
quel giorno più non vi leggemmo avante". 138
Mentre che l'uno spirto questo disse,
l'altro piangëa; sì che di pietade
io venni men così com'io morisse. 141
E caddi come corpo morto cade.
Wat gebeurt er hier nu eindelijk? Dante-personage gaat volledig voorbij aan de dood van de twee zondaars en is net als wij, als we eerlijk zijn, enkel en alleen geïnteresseerd in het ontstaan van hun liefde. Daarop geeft Francesca heel trouw antwoord: ze is uitermate slim in de manier waarop ze (Dante-schrijver) haar woorden uitkiest en geeft dan ook uitsluitend antwoord op de vraag waar de wortels van deze liefde lagen zonder iets over hun zonde of hun dood te zeggen.
Als je kijkt naar de woorden die Francesca gebruikt en dan vooral naar de werkwoorden valt één ding op. De enige werkwoorden na regel 126 waarvan zij en Paolo het actieve onderwerp zijn, zijn leggiavamo, eravamo, leggemmo, basciò, leggemmo. Van basciò, de kus die uiteindelijk aanleiding was voor deze helse toestand, is alleen Paolo het onderwerp. Eerst wordt hij verleid door zijn hitsige schoonzus en vervolgens krijgt hij de schuld in zijn schoenen geschoven. Geen wonder dus dat die geen woord meer kan uitbrengen. De rest van de werkwoorden heeft als onderwerp amor, quella lettura, un punto, en ‘l libro e chi lo scrisse.
Wat Francesca met andere woorden zegt, is helemaal niets. "We waren aan het lezen", "we waren alleen", "we lazen door", "toen lazen we die dag niet meer verder". Zou een moeder niet precies hetzelfde kunnen vertellen over de afgelopen avond waarop ze samen met haar zoontje een boekje heeft zitten lezen voor het slapengaan? "Toen gaven we elkaar een kusje en welterusten".
De lectuur is in dit geval minder onschuldig. De twee waren alleen maar aan het lezen en zitten nu opeens in de hel. De wortels van hun liefde, datgene dat hun hun liefde voor elkaar deed ontdekken, was met andere woorden dat boek. Galeotto fu il libro. Met die zin heeft Francesca in principe antwoord gegeven op de vraag van Dante; en toch voegt ze in regel 138 met quel giorno più non vi leggemmo avante nog de meest fantastische cliffhanger toe die de westerse literatuur rijk is.
Een cliffhanger die antwoord zou moeten geven op dat wat we al die tijd al hoopten te lezen maar die geen vervolg of oplossing kent. Doelt Francesca op het feit dat dat het punt was waarop haar man Gianciotto hen vermoord heeft? Maar dat wil Dante toch helemaal niet weten? Dante is enkel en alleen geïnteresseerd in een mogelijkheid tot identificatie met zijn verdorven gesprekspartner. Dante zoekt de zelfbevestiging in Francesca die zijn publiek ook zoekt. En Gianciotto zal haar toch wel niet vermoord hebben om een simpel kusje. Maar Francesca zal toch ook wel niet bedoelen dat ze de rest van de dag met elkaar van bil hebben liggen gaan?
De geest van de lezer hangt als het ware aan de richel van de afgrond van de meest gewaagde interpretatie maar durft er niet in te springen en dat is nu precies waar zijn fantasie en nieuwsgierigheid gestimuleerd wordt. De genialiteit van Dante zit hem precies hierin dat hij de lezer precies genoeg beelden voorzet om zijn fantasie te stimuleren maar net niet genoeg om deze dood te laten bloeden.
Scott McCloud schreef (en tekende) in zijn geniale strip-essay Understanding comics dat het overgrote deel van het stripverhaal niet in de plaatjes zelf gecreëerd wordt maar in de witruimte tussen de plaatjes in, de zogenaamde gutter. Het succes van een striptekenaar bestaat er aldus McCloud in dat hij de plaatjes en de gutters, dat wil zeggen dat wat hij wél zegt en dat wat hij níet zegt, op precies de juiste wijze weet te combineren en in <!--[if !vml]--><!--[endif]-->balans weet te brengen zodat het, zeg ik in mijn eigen woorden, een ultieme "fantastische" extase bij de lezer teweegbrengt. In het hiernaast afgebeelde plaatje uit het boek van McCloud wordt duidelijk gemaakt dat het verhaal waarvan de lezer denkt dat het zich op papier afspeelt zich in feite alleen in zijn hoofd afspeelt. Op basis van associaties en van onze eigen belevingswereld wekken wij zelf immers de suggestie over wat er in het plaatje rechts op de achtergrond plaatsvindt. Wordt de angstige figuur in plaatje 1 daadwerkelijk vermoord? Eigenlijk weten we het niet.
En zo weten we ook niet of Francesca en Paolo meteen na hun kusje vermoord zijn of dat ze dat vervelende boek hebben weggesmeten en de rest van de dag van hun pas ontdekte liefde hebben liggen genieten. En eigenlijk willen we dat ook niet weten. Want op die manier zijn we in staat onze meest perverse en verdorven verlangens op de hoofdpersonen te projecteren.
Filosoof Slavoj Žižek noemt bij zijn analyse van de mentale masturbatie van de lezer of kijker op datgene wat ook maar enigszins zijn fantasie stimuleert de film Casablanca waarbij de hoofdpersonen innig zoenend worden getoond, daarna drie seconden uit beeld zijn, en daarna weer in beeld komen, waardoor het volledig open wordt gelaten wat er nu precies in de tussentijd (en hoe lang was die tussentijd?) heeft plaatsgevonden, hoewel de mannelijke hoofdpersoon wel opeens een sigaar in zijn mond heeft, wat toch een dikke hint genoemd mag worden.
De luide kreet in het plaatje bij McCloud kan ook een hint worden genoemd en ook Dante is niet vies van dit soort hints. Denk bij Ugolino en het gedenkwaardige più che ‘l dolor, poté ‘l digiuno bijvoorbeeld aan de droom van de vader over de honden die de wolven verscheuren, denk aan het bijvoeglijk naamwoord misero dat wordt gebruikt zij het voor de carni van de kinderen, zij het voor de teschio waar Ugolino in de hel eeuwig op moet knagen.
Maar meer dan hints zijn het niet. Dante is het tegenovergestelde van die postmoderne en pornografische realitycultuur, van die pulp, die alles maar open en bloot op televisie brengt, zonder nog iets aan de fantasie van de kijker over de laten.
Boccaccio beschrijft seks soms in ondubbelzinnige termen (denk aan de resurrezione della carne van Alibech), maar Dante laat zijn lezer niet kicken op een eenvoudig behaalde overwinning maar juist op het tegenoverstelde, op dit onvermijdelijke gebrek aan betekenis, deze onderwerping aan de onkunde van de eigen geest om het einde van het verhaal te ontrafelen, dat uiteindelijk tot dezelfde nee tot een nog grotere kick leidt. De lezer wordt door Dante opgevoed en meegevoerd naar een hoger plan.
Dát is ook de reden dat Dante flauwvalt. Dante-personage ís de lezer, de gemakzuchtige consument van een toen al in en in zieke, pornografische schijnchristelijke massacultuur (want massacultuur is per definitie pornografisch), die alles over de liefde van de twee wil weten, die zelf bevestiging zoekt in de vreemdgangers, die wil dat alles hem maar voorgekauwd wordt, en die uiteindelijk ontdekt dat het tegenovergestelde tot een veel completere catharsis, tot een bijna-dood-ervaring (come corpo morto) leidt.
Ja, masturberen mag bij Dante, op overspel, op kannibalisme, op de jarretels van Brunetto Latini, op de afgebroken "verga" van Pier delle Vigne, of op wat dan ook, zolang het maar een product blijft van onze eigen bovenkamer. Niet vanwege schaamte (in tegenstelling tot Boccaccio die vers 138 een verso di mirabile verecondia noemt) maar omdat Dante wist dat daar het ware menselijke genot te vinden is: niet in de opengesperde benen van Jenna Jameson, maar in ons eigen hoofd opent zich de poort naar dat onmetelijke en orgastische rijk dat fantasie heet, waar we eeuwig kunnen dromen, en waar we koning zijn van onze eigen droom.
Jonathan - 12 december 2009
Two strikes - you’re out
De aanhoudende poststakingen hier doen de documenten die ik aan mijn lijstje van missende poststukken kan toevoegen nog altijd groeien. Het lijkt alsof ik zonder het zelf te weten hoofdpersoon ben geworden van een postmoderne detectiveroman zonder mogelijke oplossing, een soort Sherlock Holmes, met het vergrootglas in de aanslag, op zoek naar iets wat niet bestaat, nog onwetend van mijn eigen aanstaande ondergang. In postmoderne literatuur wordt nogal eens beweerd dat woorden maar woorden zijn en tekens maar tekens, die naar zichzelf verwijzen zonder contact te maken met de achterliggende werkelijkheid, als die er überhaupt nog is.
Als je IELTS-certificaat zoek is, of je bankpapieren niet arriveren, weet je wel beter. Waar ik er vorige week na een persoonlijk bezoekje aan het British Council in Rome nog achterkwam dat men daar tweemaal mijn certificaat naar UCL verstuurd had - overigens zonder mij dit via de mail te bevestigen -, begin ik er nu langzaam maar zeker achter te komen dat naast de drie missende certificaten ook mijn bankpapieren van mijn nieuwe Engelse bankrekening vermoedelijk zijn zoekgeraakt in één of ander verlaten depot van de Royal Mail. Die affaire met dat certificaat is nu wel opgelost maar hoe langer mijn geld op mijn Nederlandse rekening blijft staan, hoe meer kosten ik maak om daar telkens ponden van te maken.
Iets wat wel lijkt te voldoen aan de postmoderne visie van onovereenkomstigheid tussen woorden en werkelijkheid is het trots op de Londense transportwebsite vermelde London Cycling Network, waarvan elke Londenaar gratis plattegronden kan bestellen om naar zijn werk te fietsen zonder daarbij de grote, drukke wegen aan te doen. Wat er niet bij gezegd wordt, is dat het London Cycling Network in werkelijkheid geen - zoals de naam suggereert - netwerk van fietspaden is, maar een zooitje bij elkaar geraapte fietsstrookjes van nauwelijks 50 centimeter breed en van een abominabel trieste kwaliteit.
Hier en daar is inderdaad een sporadische fietsstrook te vinden, al is naar ik schat een kwart niet meer dan 10 meter lang - ze beginnen even abrupt als ze eindigen, waarna je je plots weer op de busbaan bevindt die officieel ook dienstdoet als fietspad - en zijn er vele voorbeelden te vinden van fietsstroken waarop plots midden op het pad een paal te vinden is; die bezaaid zijn met blaadjes; die gebruikt worden als voetpad. Allemaal zijn ze even smal, ongeveer de helft van de breedte van een Nederlands fietspad. Toen ik van de week terugreed vanuit Zuid-Londen naar Noord-Londen, waar ik woon, kwamen mijn postmoderne speurderskwaliteiten nog goed van pas bij de zoektocht op de kaart naar enkele spookfietspaden die me veilig naar huis moesten loodsen.
Inmiddels is de herfst met zijn kou en regen overigens echt begonnen, wat het sowieso lastiger maakt om met mijn racefiets de weg op te gaan. Mijn Engelse huisgenoten lijken nu meer nog dan toen het nog mooi weer was gekluisterd aan de flatscreen TV die hier in de kamer staat, de verwarming brandt, de Kerstspullen liggen alweer een aantal weken in de winkels en overal kleurt de stad rood en bruin van de blaadjes. Telkens als ik er langs loop kijk ik al met lichtjes in mijn ogen naar het kanaal naast mijn huis. Als het echt begint te vriezen, kunnen de schaatsen uit de kast. Misschien krijgen we dit jaar wel een Elfstedentocht.
Jonathan - 3 november 2009
A gift from heaven
Als het aan het British Council in Rome had gelegen, was mijn inschrijving bij het University College misgelopen en was die prachtige studiebeurs ook aan mijn neus voorbijgegaan.
De afgelopen weken had ik de kans om weer even terug de tijd in te gaan en zaken te doen met Rome, of concreter gezegd met de lokale kantoor van het British Council daar, waar me toch een stelletje uit hun neus vretende randdebielen werkt met een traagheid waarvan zelfs een doorrookte Jamaicaan nog gestrest zou raken.
In mijn stommiteit had ik op 9 september mijn IELTS certificaat (Engelse test die vereist is om te kunnen studeren in Londen) naar UCL verstuurd zonder er eerst een kopie van te maken, ook om mijn aanmelding daar te versnellen. Op 16 september, een week later, begon ik al wat ongerust te worden, maar toen ik op 23 september hoorde dat mijn certificaat nog niet was aangekomen - wellicht door de Engelse poststakingen of door UCL's eigen verstrooide administratie - had ik een probleem.
Natuurlijk meteen de volgende morgen, 24 september, het British Council in Rome gebeld, waar ik de test gedaan had. Ik was ervan overtuigd dat het gezien de urgentie van mijn situatie (de officiële aanmelding startte maandag de 28e) geen probleem zou zijn me even een nieuw certificaat toe te sturen.
De vrouw aan de telefoon ontplofte haast toen ik haar vertelde wat er was gebeurd. WÁT, het IELTS certificaat via de post verstuurd? Dát NOOIT! MAI! Dat certificaat is van U, dat is PERSOONLIJK, PER-SO-NA-LE, dat HAD U NIET MOETEN VERSTUREN, daar geven wij u maar EEN EXEMPLAAR van, dit is een ENORM PROBLEEM, enzovoorts. Toen ze een beetje bekomen was, raadde ze me hoe dan ook aan een mail te sturen naar de persoon die verantwoordelijk is voor de IELTS testen binnen het British Council te Rome.
Ik natuurlijk meteen die mail verstuurd, op donderdag 24 september, groot URGENTE in de subjectline gezet, en maar afwachten. Vrijdag niets, maandag niets. Dinsdag weer teruggebeld. Een andere vrouw. O zus en zo. Ok. Wat is uw naam? Kunt u dat spellen? Wanneer heeft u de test gedaan? Ik kan u niet vinden in het systeem. Kan ik u terugbellen?
Dus de hele dinsdag gewacht op een telefoontje. Niets. Op woensdag teruggebeld. Ja meneer maar WIJ zaten op UW telefoontje te wachten. Fijn dan. Nou en wat nu? Ja u moet een mail sturen (ja nog eentje) naar weer een ander mailadres. Daar helpen ze u.
Inmiddels was mijn situatie zeer urgent, zat ik zonder inschrijving, zonder studiebeurs (in de duurste stad ter wereld) en was ik behoorlijk nerveus aan het worden. Natuurlijk meteen weer een URGENTE mail gestuurd naar het andere mailadres of ze wellicht even het nummer van mijn certificaat naar mij of naar UCL konden mailen want alleen dat nummer zou al volstaan voor UCL om mijn uitslag digitaal te kunnen controleren! En dan maar wachten op een antwoord. Donderdag en vrijdag niets. Maandag niets. De lessen waren inmiddels al begonnen. Dinsdag niets.
Teruggebeld dus, weer de mevrouw van de eerste keer aan de lijn. Wat de situatie ook alweer was. WAT??? Een IELTS certificaat via de POST verstuurd? Maar dat CERTIFICAAT is van U, dat is PERSOONLIJK, PER-SO-NA-LE, NOOIT versturen, GROOT probleem, etc.
Soms heb je het idee dat je in een soort filmscène bent beland met rare zombieachtige robots die zichzelf herhalen en geen idee meer hebben dat er nog ergens een echte wereld met echte mensen om ze heen wasemt. In Londen heb je er ook zo eentje in de buurtbibliotheek, een oude kerel die gisteren achter de openbare computer een uur lang "verrrry good verrrry good" zat te roepen totdat iedereen in lachen uitgebarstte en hij verontwaardigd naar een medewerker liep en hem ervan beschuldigde een moordenaar te zijn terwijl hij maar bleef herhalen "So how many people have you killed in your life?". Overigens zitten er in Londen alleen maar idioten in de buurtbibliotheek, vorige week zat er nog een man naast me die zich wilde aanmelden voor Facebook en me toen vroeg wat hij bij "First name" moest invullen.
Goed, dus de mevrouw van dinsdag van het British Council was mijn laatste hoop. Of ze me kon terugbellen. Ik had waarschijnlijk nee moeten zeggen maar ik zei ja. "Ik bel u zo snel mogelijk terug". Twee dagen later ondertussen, nog niets gehoord.
Inmiddels is mijn aanmelding bij UCL trouwens rond. Ik was bij mijn Algerijnse vriend Daoud thuis en daar zag ik dat het nummer op zijn IELTS certificaat simpelweg was opgebouwd uit een combinatie van verschillende persoonlijke details, waaronder het kandidaatnummer en het test centre nummer. Dat eerste stond nog op de envelop waarin mijn certificaat had gezeten en die ik had bewaard; het laatste kon ik op internet vinden. Door voor mezelf op analoge wijze een nummer samen te stellen kon UCL mijn uitslag eenvoudigweg online opzoeken.
Daoud zou vast zeggen dat God onze ontmoeting in de buurtbibliotheek voorzien had (nee hij is niet één van die idioten), zodat mijn aanmelding toch nog rond kon komen. Of ik dat met hem eens ben weet ik niet. Maar het is in elk geval wel een geschenk uit de hemel om buiten de brief die ik momenteel aan het voorbereiden ben voor de directeur van het British Council nooit meer iets met die proleten daar in de Via delle Quattro Fontane te maken te hoeven hebben.
Jonathan - 8 oktober 2009
Is everything alright?
In het binnensmondse dialect van een Londenaar is het woord "sorry" (sorry) maar moeilijk van "that's alright" (geeft niet) te onderscheiden.
Als je een Londenaar op zijn tenen gaat staan en je verontschuldigt je, zal hij zich ook verontschuldigen, althans hij zal zoiets als "srigh" uitstoten, waarvan ik vermoed dat het ook "sorry" betekent en niet "that's alright", maar wellicht zijn de betekenissen van de twee uitdrukkingen in de loop der tijd met elkaar vergroeid.
Londenaars zijn zonder twijfel erg beleefd. Een interessante theorie zegt dat dat die beleefdheid juist een uiting van arrogantie is. Ik ben enigszins vergeten hoe dat ook alweer zat, maar volgens mij ging het erom dat een Engelsman het juist als een teken van zijn eigen overheersing beschouwt om zijn excuses aan iemand te kunnen aanbieden in plaats van die te laten aanbieden.
Ik ben inmiddels in het bezit van een kamer, hoewel ik op mijn zoektocht ook minder aardige Engelsen ben tegengekomen. Ik belde een agent die op haar website studio's aanbood niet ver van het centrum voor enorm lage prijzen (laag betekent hier 150, 160 pond per week). Ze zeiden bovendien geen enkele contractkosten of andere commissies te berekenen.
Toen ik belde had men natuurlijk een studio voor mij. Ik kon die middag nog komen kijken; alleen moest ik dan wel direct 80 pond betalen om me te laten inschrijven en het recht te hebben naar viewings te gaan. Ik zei tegen de mevrouw aan de telefoon dat ik haar niet wilde beledigen maar dat ik in informatie van de universiteit had gelezen dat het vragen van kosten door agents voor enkel en alleen het arrangeren van viewings onder een wet uit 1953 illegaal is. Natuurlijk was ik "verkeerd geinformeerd" en ik werd toen ik insisteerde meteen doorverbonden met de grote baas, een vreselijk onbeleefde Engelse kerel die waarschijnlijk veel geld verdient met het oplichten van arme studenten. Agents zoals deze hebben namelijk helemaal geen huizen in de aanbieding, vragen enkel en alleen een bedrag om je te registreren en helpen je vervolgens nooit aan een plek om te wonen.
De man aan de telefoon probeerde me ervan te overtuigen dat zij toch veel goedkoper waren dan andere agents. Ik probeerde hem ervan te overtuigen dat hij toch echt illegaal bezig was. Hij vroeg me om even te blijven hangen en zei toen: ik ga je helpen want zo te horen kun je wel wat hulp gebruiken. Bij wijze van uitzondering mag je vandaag gratis naar een studio gaan kijken.
Ik zei: fantastisch. Hij was weer even weg en zei toen: o nee, gratis kan het niet, maar voor 10 euro kunnen we het wel doen. Ik weigerde. 5 euro. Ik weigerde. 4. Ik weigerde. 3. Ik weigerde. 2.50. Ik vroeg of ik dat contant op hun kantoor kon komen betalen. Hij zei dat dat niet kon en hing op. Gelukkig heb ik mijn creditcard van een plundering kunnen redden.
Maar behalve dit soort types ben ik er blij met de mensen die ik hier ontmoet. Ik heb in de afgelopen 10 dagen mensen ontmoet uit: Engeland, Duitsland, Nederland, Zuid-Korea, Brazilie, Spanje, Nigeria, Israel, Australie, Canada, Tsjechie, Algerije, Polen, Taiwan, Estland, Amerika, China, Litouwen, Senegal en Denemarken. En dat zijn dan alleen nog maar de mensen met wie ik heb gesproken. De nummers in het Chinees heb ik er veel oefenen nu bijna inzitten, inclusief het tonale aspect. Mijn Duits wordt al iets beter, en ook leer ik nu Arabisch van een Algerijn. Naar Italianen blijft het nog even zoeken.
Waar me dat gaat brengen weet ik niet, maar alles is in deze stad in elk geval aanwezig. Alles wat je maar wil binnen handbereik. Maar ja, of je daar nu zo gelukkig van wordt?
Jonathan - 26 september 2009


